Middernacht
In zijn boek “Marktliederen over de “Grooten Oorlog – De Eerste Wereldoorlog gezien door de ogen van onze marktzangers” citeert Roger Hessel een “Oorlogslied” gevonden op een liedblad “Gedicht en gezongen door AchilIe Coppenolle”. Identiek dezelfde tekst staat (met dezelfde taalfouten) in een ander boek van Roger: “De onvergetelijke Tamboer” maar daar kreeg het als titel “Middernacht” (lied nr 563 pag. 786). Moeilijk te zeggen wie van de twee marktzangers de tekst bedacht, de stijl lijkt me het beste te passen bij Coppenolle. Misschien hebben ze het ooit gezongen als duet ?
Middernacht
1109 [A] Lionel Bauwens en/of Achille Coppenolle [C] Jose Howard
’t Was op enen zomernacht,
‘k stond in de vuurlijnen daar op wacht.
’t Kanon buldert woedt, er vloeide veel bloed,
ik hoorde daar smeken en klagen.
Al opeens hoord’ ik een stem
die ‘k herkende, hij smeekte vol klem.
Het was mijnen vriend die getroffen
zijne laatste woorden daar sprak
Vaartwel ! Vaartwel lieve vrouwe,
kon ik u nog maar eens aanschouwen.
Ik sterf voor mijn vaderland hier zo zacht.
Middernacht ! Middernacht !
Daar lag hij met zijn bleke wangen,
een kogel in ’t harte ontvangen.
Hij smeekte genade voor vrouw en voor kind
die hem hadden teer bemind
Wijl ik dacht aan mijnen plicht
kreeg ik eensklaps den vijand in ’t zicht.
Wijl ik bij mijn vriend zat nedergeknield
ontplofte er iets aan mijn zijde.
‘k Werd getroffen in de hand
en wat zag ik op d’anderen kant?
Mijn broeder die daar was gevallen,
ook door het zelfde projektiel.
T’was vreedzaam om zien in de velden
Daar lagen zoveel koene helden
Zo werd ik gekwetst uit den slag gebracht
Middernacht ! Middernacht !
Ik hoorde mijn broeder daar klagen
Maar kon hem geen hulpe toedragen
Hij stierf met het wapen nog steeds in de hand
Voor vrijheid van ’t vaderland
Nu ziet men in ’t moordend veld
rusten ’t kruisken van menigen held,
die daar, zonder troost, ontrukt aan hun kroost
zo ver van hun huis zijn gevallen.
Overdenkt eens wel de smart.
En wat zag men hier van ‘n vrouwenhart?
Wijl hij aan het front stond te lijden
Haar eer aan den vijand verpand.
Verdwenen is nu alle lijden
terwijl op het slagveld aan ’t strijden.
’t Is nog alsof ik het voor ogen zag.
Middernacht ! Middernacht.
Dan stonden veel vrouwen te zwieren
in huizen van alle plezieren
en dochten niet dat op dienen zelfden stond
hun man viel voor vadergrond.
| Partituur * Middernacht * | |
1. instrumentaal
|
Bronnen: zangwijze: "I Wonder Who's Kissing Her Now?" (1909) - "Malgré tes serments" (1913) Liedblad Lionel "Tamboer" Bauwens. Identieke tekst op liedblad "gedicht en gezongen door Coppenolle Achille"
Ik zal ’t aan mijn moeder zeggen
Nog een lied van Achille Coppenolle uit Roeselare.
De zanger – in het lied Teofiel genaamd – gaat al een tijdje uit met Julia en probeert haar tot gevorderde liefkozingen te bewegen maar zij houdt de boot af: als hij meer wil dan een simpel kusje zal hij toch eerst met haar moeten trouwen. En dat gebeurt uiteindelijk in de laatste strofe.
De zangwijze werd gecomponeerd door Raoul Moretti in 1924, ruim honderd jaar geleden dus. Moretti overleed in 1954 waardoor de auteursrechten in 2024 vervielen.
Ik zal ’t aan mijn moeder zeggen
1088 [A] Achille Coppenolle. [C] Raoul Moretti (1893-1954)
‘k Vrij al lang met een meid
juist een jaar van gister noen
zij heeft mijn liefde en min
ze bevalt naar mijne zin.
Ga ik soms zo met haar
ene wandeling gaan doen
geef ik haar een liefdezoen
zij roept: gij kapoen.
O Teofiel, ‘k zal ’t aan mijn moeder zeggen!
Houd uw manieren maar, het is hier veel te klaar.
Gij komt bij mij, maar alles uit te leggen,
uw liefde ja alras, komt hier niet te pas.
Wel Teofiel, ‘k zal ’t aan mijn moeder zeggen,
al vrijen wij ’t is waar, meer dan een jaar te gaar
daarvoor moogt gij mij, nog niet te gaarne zien;
later wel gauw, als ik zal zijn uw vrouw!
Lest zat ik met Julia
samen in de cinema
en haar moeder zat zo blij
maar te kijken nevens mij.
Binst dat het nu alras
ja juist weer zo donker was
gaf ik Julia ne piep
maar zij riep sebiet:
‘k Ga al lang in haar huis
van mijn schone Julia
en op enen avond laat
aan haar deur nog wat gepraat.
Al met eens vroeg ik stil
naar een beetje liefdegril
haar oogjes blonken als vuur
maar zij riep zo stuur:
Binnenkort trouwen wij,
nog een weeksken twee of drij
zie ik word van liefde zot
maar ik trouw wel in haar kot.
Als zij zegt: « Teofiel »
zie dan druk ik haar zo stil
zachtjes tegen mij, wel ja,
mijne Julia.
| Partituur * Ik zal ’t aan mijn moeder zeggen * | |
1. instrumentaal
|
Bronnen: zangwijze: "Ce n'est pas la même chose (quand on est deux)" (1924) liedblad uit de verzameling Roos Vercruyse (MUZ0894)
Het vertrek van Piet naar den troep
Nog een lied uit het ijverig volgepende schrift van Florentine Sterckx.
We vonden deze tekst ook terug op een liedblad van Jean-Louis Beullens die het circa 1920 in Brussel zong en verkocht.
Geen melodie vermeld, maar we twijfelen er niet aan dat het Duitse “Puppchen, du bist mein Augenstern” uit 1912 model stond.
Het vertrek van Piet naar den troep
1106 [A] Jean-Louis Beullens. [C] Jean Gilbert (1879-1942)
Den tijd die is verschenen,
mijn twintig jaar zijn daar.
Ons jeugd die is verdwenen,
maakt daarom geen bezwaar.
Men ziet de meisjes wenen
voor enen Jan of Piet.
Nu blijven zij allene,
O God, wat een verdriet!
Nu blijven zij allene,
O God, wat een verdriet!
Roosje, aanziet hier uwen Piet.
Wilt toch genezen mijn verdriet.
Roosje mijn liefste Roosje,
ik moet van kant
voor ’t Vaderland
Vaarwel Roosje, tot wederziens
Vertel mijn smart aan moeder Trien.
Kom nog eens liefste Roosje
Hier op mijn hart
genezen pijn en smart
Acht dagen zijn verdwenen
Nu zit het meisje daar
Nog genen brief verschenen
Voor haar, wat een bezwaar
Zij dacht: « Waar mag hij wezen?
In Diest of in het kamp? »
Maar daar kwam hij verrezen
met de graad van Sergeant.
Maar daar kwam hij verrezen
met de graad van Sergeant.
Ons Roosje stond te gapen
als haren Piet kwam aan.
Zij kost bekans niet praten
en kost hem niet verstaan.
Hij sprak: « Hé bien, ma Roosken
Regardez eens mon graad?
Je suis sergeant, mijn Roosken!
Ben ‘k geen flinken soldaat?
Roosje ging Piet bezoeken
al in zijn regiment,
gaf hem een hesp en koeken,
daarvan was hij kontent.
Zij gingen promeneren
maar wat stond zij versteld:
zijn graad die was verdwenen,
’t Was hetgeen die hem kwelt.
Onze Piet moest marcheren
met geweer, pak en zak.
« Zij doen mij nog kreveren;
‘k gaan liever in den bak. »
Maar haltelà, zijn Roosje
die speelt in zijn gedacht.
Maar zij rusten een poosje
dat maakt hem stil en zacht.
Zijn tijd die is verdwenen,
zijn term is nu gedaan.
« Roosje wilt niet meer wenen,
droogt nu maar uw getraan.
Nu zullen wij vlug trouwen
en worden man en vrouw.
Gij zult het nooit berouwen,
ik zweer u lief en trouw.
| Partituur * Het vertrek van Piet naar den troep * | |
1. instrumentaal
|
Bronnen: zangwijze: Puppchen, du bist mein Augenstern (1912) liedblad Jean-Louis Beullens circa 1920 (MUZ0734 pag 149)


