Dat ben ik en gij
Mathieu Dekemper was een succesrijke Brusselse liedjesmaker, zijn teksten werden gretig overgenomen in tal van liedjesschriften en ook vele van zijn partituren zijn nog terug te vinden. De liederen werden gespeeld in café-chantants, revues en theaters in het Brusselse.
Wij hebben al meerdere liederen van hem hier besproken, zoals:
- ‘k Zeg het niet
- Dan is ’t Jan
- De greef en de soldaat
- ‘k Wou dat ik nog een ketje was
- Hij heeft een muts aan
- De mecanicien
- De elektriek doctoor
- Sale cochon
- Een goede vriend hebben
En nu dus “Dat ben ik en gij” waarin de zanger begint met zijn (mannelijk) publiek voor te houden dat de vrouwen eigenlijk alles aan de mannen te danken hebben. Hij gaat op zijn élan verder en ook de Ministers en de welgestelden steken volgens hem onterecht pluimen op hun hoed want uiteindelijk zijn het “ik en gij” die het gelag betalen. En tijdens de oorlog (WOI in dit geval) waren het de gewone werkmensen die aan de frontlijn moesten vechten terwijl de “mannen met een hoge hoed” van schrik gingen lopen, zo poneert de liedjesschrijver.
Zwart/wit redeneringen, het is ook nu nog een techniek om snel populair te worden.
Dat ben ik en gij
1081 [A] Mathieu Dekemper [C] P. De Backer
Morgen zal het een leven zijn, zo rond een uur of vijf.
Gaan ze de prijzen geven, ja, voor het schoonste wijf.
D’mijn is er weeral tussen, zij is in de satijn.
Deez’ week uw tafel, Susse, zal wel in de rouw zijn.
Ja ja, z’is net, deez’ week is ’t vet of gene fret.
Wie maakt ze schoon, de vrouwen? Ja ik en gij.
Wie moet ze onderhouden? Ja, ik en gij.
Wie werkt dagen en nachten? Ja ik en gij.
Wie zorgt voor hunne prachten? Dat ben ik en gij.
Ge zet somtijds uw klein in de satijn of in de zij.
Wie draagt er, da’s een fijn, als ze schoon zijn,
horens daarbij?
Dat ben ik en gij !
De vrouw moet het bekopen, ’t is gelijk in welk lied,
maar van deez’ die ons stropen? Daarvan spreken ze niet.
Van deez’ die meester spelen en die niets anders doen,
als ’t werkvolk te bestelen en leeft van onze poen.
Ze zijn de Jan, met ’t zweet van den armen werkman.
Wie maakt z’rijk deez’ kapoenen? Ja, ik en gij.
Wie zweet voor deez’ miljoenen? Ja ik en gij.
Wie werkt voor deez’ juwelen? Ja ik en gij.
En voor deez’ schoon kastelen? Dat ben ik en gij.
Wie verdient hunne wijn, hunne satijn,
mantels in zij?
Wie vliegt er zonder spijt, als ge t’oud zijt,
buiten daarbij?
Dat ben ik en gij.
Ons ministers deez’ Heren, vrienden, doen z’het niet wel?
Die ons zo goed trakteren, met den taks en ’t heel spel?
Ja, dat zijn deez’ schandalen, die hunne zakken vult,
die ’t werkvolk doen betalen, als ’t land zit in de schuld.
Ja voor de poen, zullen z’uit doen ons hemd en schoen.
Wie werkt voor deez’ ministers? Ja ik en gij.
Voor al deez’ geld verkwisters? Ja ik en gij.
Wie betaalt deez’ schoon wetten? Ja ik en gij.
Wie geeft hunne te fretten? Dat ben ik en gij.
Deez’ Heren zuipen wijn, ’t kan zo slecht zijn,
begrijpt ge mij?
En wie werkt er altijd, en die nog lijdt
honger daarbij?
Dat ben ik en gij.
’t Werkvolk is te beklagen, in veertien wilt verstaan:
om den Duits te verjagen, wie moest in oorlog gaan?
En wie was er gaan lopen? Deez’ met nen hogen hoed!
En wie moest het bekopen? Het werkvolk, met zijn bloed.
Zij hadden schrik, ja, dat zeg ik, zo een vuil kliek.
Wie moest bij de soldaten? Ja ik en gij.
Vrouw en kind’ren verlaten? Ja ik en gij.
Wie moest hunne gaan weren? Ja ik en gij.
Wie moest van voor marcheren? Dat was ik en gij.
Ministers, Generaal,
waren allemaal weg, z’waren blij.
Wie mocht sterven aan ’t front gelijk nen hond
nog eens daarbij?
Dat was ik en gij.
| Partituur * Dat ben ik en gij * | |
1. instrumentaal
|
Bronnen:Partituur "Mathieu Dekemper, Auteur, editeur de musique, Rue de Douvres, 112, Anderlecht-Bruxelles" boek "Anderlecht zingt zoals vroeger" (1991), zonder vermelding van auteurs.
Vergeet den arme niet
Zowel in “A la vapeur, dat heet progrès” (1985) als in het latere, zeer uitgebreide “Liederen van de Industriële Revolutie – 3 delen” nam Erik Demoen deze tekst van Frans De Potter over, gedateerd circa 1848. Die werd volgens hem gezongen op de melodie van “Le dieu des bonnes gens”, een lied van P.J. de Béranger, gepubliceerd in 1856.

Frans De Potter is ook de auteur van “De blauwe kiel”, een tekst die hetzelfde metrum gebruikt en dus ook op dezelfde melodie kan gezongen worden.
Een verwante tekst is het lied van “De Werkman” – auteur onbekend – dat Harrie Franken optekende bij Antonia Verhees-Maas te Deurne en dat op vele liedbladen terug te vinden is. De melodie die Franken kon noteren is makkelijker te zingen dan die van de Beranger en de tekst van De Potter past er ook op mits een kleine aanpassing in het “keervers”. We bespraken dat lied + melodie al in februari 2021.
Hier houden we het bij de melodie van de Béranger waarop de tekst van De Potter oorspronkelijk zou gemaakt zijn.
Vergeet den arme niet
192 [A] Frans De Potter (1834-1904) [C] J.P. de Béranger (1780-1857)
O rijken liên, met schatten mild gezegend,
die elken wens altoos bevredigd ziet,
die elken dag met gunsten wordt bejegend,
en ’t beste deel van ’t leven steeds geniet,
verneemt gij nooit, te midden der banketten
der armen droef en angstig jammerlied?
Wilt voor die klacht uw harten openzetten
vergeet den arme niet,
vergeet den arme niet!
Vergeet ze niet, die op een strooien bedde
beroofd van brood, verkwijnen als een hond,
als niemand hen voor honger, wanhoop redde,
wie weet wat eens hun razernij bestond?
Verlicht hun nood en lenigt hunne smerte
gelijk de plicht, gelijk Gods wet gebiedt.
Weldoen is zoet en schenkt genot aan ’t herte:
vergeet den arme niet,
vergeet den arme niet!
Als g’op ’t festijn den wijn met volle schalen
ontstromen doet, en schat bij schat verspilt,
of danst en zwiert in schitterende zalen
waar liefd’ en lust de stem des herten stilt,
houdt, houdt dan toch, voor d’armen, uwe broeders,
een weinig geld dat hun verlichting biedt.
O, rijken, weest hun teer’ en wakkre hoeders:
vergeet den arme niet,
vergeet den arme niet!
| Partituur * Vergeet den arme niet * | |
1. instrumentaal
|
Bronnen: zangwijze: "Le dieu des bonnes gens" (de Béranger) in “Liederen van de Industriële Revolutie - deel 3” met melodie (MUZ0070 pag. 851) in “A la vapeur, dat heet progrès” met melodie (MUZ0024 pag 180)
Heeft er niemand mijn Roza gezien ?
Dit lied werd gezongen door Albert Van den Brempt (1896-1944), een marktzanger uit Aalst die naar eigen zeggen samen met (accordeonist ?) Joseph D’Haeseleer ook zong “in Café-Concert, Huwelijksfeesten, Liederavonden, Soupers, Kermissen enz.”
Het lied past in een lange rij van “controversiële” verhalen over een woelig huwelijksleven, blijkbaar een favoriet thema bij vele marktzangers. De zanger schijnt het zich te beklagen dat zijn grote liefde hem heeft verlaten maar de toehoorders denken met stijgende verbazing na elke onthullende strofe dat hij in feite geluk heeft gehad !
De auteur wordt niet op het liedblad vermeld maar het lijkt wel een werkstuk van een Brusselse marktzanger te zijn (zie einde 1e en 4e strofe). En dat zou dan “François Treve, Vrouw en kinderen” kunnen zijn, weliswaar “uit Ypres” maar hetzelfde lettertype en kleur van papier als op een liedblad van Treve met o.a. “Wreede Spoorwegramp te Schaarbeek”
Jos Ghysens weet in zijn boek “Het Aalsters Volksleven deel 1 – Het Markt- en Straatlied 1860-1950” te melden dat Van den Brempt als “Zwarten Bert” bekend stond, wat merkwaardig is want hij stierf in het concentratiekamp van Buchenwald… Misschien had die bijnaam iets te maken met zijn hoofdberoep: tabakbewerker.
Een gelijkaardige tekst vonden we ook op liedblad nr. 74 van Frans Jacobs maar met vermelding van een andere melodie: “Rosa la Gitana” van Eugène Gavel (gezongen door Georgel)
Heeft er niemand mijn Roza gezien ?
1080 [AC] ??? Albert Vandenbrempt
Sa vrienden die hier staan in ’t ronde
Hebt gij mijn Roza niet gezien?
Ik ben verplicht het te verkonden
Gij weet het mogelijks misschien.
Zij heeft mij gisteren vroeg verlaten
‘k zond overal ’t signalement.
Zij heeft mij nog geen stoel gelaten
In Brussel is zij zo goed gekend.
Ik ben nu mijn Roza kwijt
En ik heb daarvan toch spijt
Z’is van gisteren vertrokken
En laat me zitten met de brokken
Zelfs geen bed noch gene stoel,
zij is weg met g’heel den boel.
Nu zit ik in mijn kot alleen fijn,
Waar mag die heks gelopen zijn?
‘k Zag er mijn Roza toch zo geren
omdat ze waarlijk proper was.
Wassen en naaien deed zij geren
en alles was naar d’eerste klas.
Maar zij hield veel van te lameren,
zij maakt veel werk van haar toilet.
Heel vroeg was zij aan’t poliseren
en hare kop die stonk naar vet.
Met haar één oog ziet zij er zeven,
z’Heeft een vel g’lijk een Olifant
Met haren asem zou z’U vergeven
In haren mond staat enen tand.
Zij heeft twee oren als een verken
De neus van enen papegaai.
Als gij haar goed komt te bemerken
Het is oprecht een raar gedraai.
Als ik met haar ging promeneren,
Gelooft mij toch, ze was zo fier.
Elkeen bezag ons in ’t passeren
Met haar beslag en grote zwier.
Ze koopt haar kleren bij ’t gewichte
Voor dertig cens op ’t Vosseplein
Ja, ’t is al waar wat ik berichtte
Mijn Roza was daarin zo fijn.
| Partituur * Heeft er niemand mijn Roza gezien ? * | |
1. instrumentaal
|
Bronnen: zangwijze: volgens opname te Oostveld bij Roza V.H. (51j.), 1984 liedblad Albert Vandenbrempt & Joseph D'Haeseleer, Aalst drukkerij H. Van den Broeck - Jacobs Melodie gedeeltelijk in Jaarboek 1984 (CAT. 8588b) Heemkundige Kring Oedelem-Beernem





