Zoals gewoonlijk te laat
Dit lied werd door Walther Van Riet opgetekend in het Waasland circa 1980, zoals het hem werd voorgezongen door een groepje senioren dat elke laatste zondag van de maand bijeenkwam voor een café-chantant in het lokaal “De Eirentrapper”. Wie precies wat had gezongen en wanneer wordt niet in het boek “Zo de ouden zongen” (1983) vermeld.
Richard Van der Staey van de Kadullen kon het al in 1969 horen zingen in Marke, met 3 strofen meer dan in de versie die we hier publiceren en met licht afwijkende melodie. Bij hem is de titel “De drenkeling”
Het is een ironisch lied over bureaucratie, treuzeltechnieken en paraplupolitiek en een toepassing van de zegswijze “Het is te laat de put gevuld als het kalf verdronken is”.
Zoals gewoonlijk te laat
1082 [AC] onbekend
Zeg vrienden lief, ik ben’t vergeten
in welke gemeente dat het was.
Daar werd er eens ne mens gesmeten
in een grote diepe plas.
Een oude stadstrompetter
kwam haastig toegesneld
en hij liep naar de sjampetter
en hij riep met veel geweld:
Haastig nu met haak en koord
want er ligt een mens in ’t water.
Haastig nu met haak en koord
want hij is bijkanst versmoord.
De sjampetter springt d’hoogte in,
grijpt gauw zijnen sabel vast.
Moed, leeuwenmoed springt in zijn ogen,
moed, lijk onze sjampetter past.
En recht door haag en heesters
met uitgetrokken kling
liep hij naar den burgemeester
die juist een uilken ving.
De burgemeester die schiet wakker
en viel bijkanst van zijnen stoel
maar hij is genen plichtverzuimer,
praktisch zijn dat is zijn doel.
Hij belt zijn secretaris,
die kwam een uur nadien,
met heel de inventaris,
wel ge had dat moeten zien!
En als allen dan zijn vergaderd
dan zijn ze eindelijk tot akkoord.
Ze hebben dan genomen een haak en ook een koord.
En dan met spoed en kloeken moed
gooiden zij den haak in’t water
maar daar hielp nu noch haak noch koord
want die man was juist versmoord.
| Partituur * Zoals gewoonlijk te laat * | |
1. instrumentaal
|
Bronnen:
In "Zo de ouden zongen" (Walther Van Riet) pag. 290
Variante ("De drenkeling") in het "liedboek DE KADULLEN" (Richard Van der Staey) pag. 57 met 7 strofen en afwijkende melodie
De bende Gestapo’s van Tienen en Leuven
Liedblad gevonden tussen geschriften van de gebroeders Geens, actief als marktzangers in Aarschot.
Google, in samenwerking met ChatGPT, weet:
“De “Bloednacht van Tienen” verwijst naar een gewelddadige represaillesactie door collaborateurs en Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog, na de moord op verzetsman André Janssens in 1944, waarbij personeel van de suikerfabriek werd opgepakt en naar concentratiekampen werd gestuurd, wat leidde tot de dood van verschillende Tienenaars.”
Dank u Google, maar uit de liedtekst blijkt niet dat Janssens een “verzetsman” was, integendeel, hij was “de grootsten tiran” …
De bende Gestapo’s van Tienen en Leuven
241 [A] Gebr. Geens, [C] Alfons Mora (1891-1977)
D’herinnering vraagt een gebed
toen ons land nog was bezet
toen kende onze streke het gross
van een bende Gestapo’s
Zij zwoeren, aan Hitler den trouw
en vermoordden man of vrouw,
al wie hun liep in den weg
werd gedood op hun gezeg.
Het volk schreeuwt uit kant en hoek:
waarom nog dat onderzoek?
Brengt ze naar een open plein,
laat er ons meester van zijn.
De doodstraf is veel te zacht,
weerklinkt het uit volle macht,
barbaren voor ’t volk van uw land:
dat men u verbrandt.
Was Janssens de grootsten tiran
Engelen was de wreedste man
die gaf zijn bevelen zo ras
net of hij Dolf Hitler was.
De bloednacht van Tienen bewijst
dat hij maakte zelf de lijst
wie er ‘s nachts als gijzelaar
sterven moest met wreed gebaar.
Zij stalen en moordden bij nacht
zelfs een vrouw ter dood gebracht
die niet wilde zeggen ’t is kras
waar haar man verborgen was.
Op al wie zij droegen een haat
werd hun wraak gekoeld met kwaad,
die beulen met Nazibloed
moeten doodgemaakt, voorgoed.
| Partituur * De bende Gestapo’s van Tienen en Leuven * | |
1. instrumentaal
|
Bronnen: zangwijze: “De Wisselwachter” liedblaadje uit Leefdaal ook in de verzameling Moorman
Dat ben ik en gij
Mathieu Dekemper was een succesrijke Brusselse liedjesmaker, zijn teksten werden gretig overgenomen in tal van liedjesschriften en ook vele van zijn partituren zijn nog terug te vinden. De liederen werden gespeeld in café-chantants, revues en theaters in het Brusselse.
Wij hebben al meerdere liederen van hem hier besproken, zoals:
- ‘k Zeg het niet
- Dan is ’t Jan
- De greef en de soldaat
- ‘k Wou dat ik nog een ketje was
- Hij heeft een muts aan
- De mecanicien
- De elektriek doctoor
- Sale cochon
- Een goede vriend hebben
En nu dus “Dat ben ik en gij” waarin de zanger begint met zijn (mannelijk) publiek voor te houden dat de vrouwen eigenlijk alles aan de mannen te danken hebben. Hij gaat op zijn élan verder en ook de Ministers en de welgestelden steken volgens hem onterecht pluimen op hun hoed want uiteindelijk zijn het “ik en gij” die het gelag betalen. En tijdens de oorlog (WOI in dit geval) waren het de gewone werkmensen die aan de frontlijn moesten vechten terwijl de “mannen met een hoge hoed” van schrik gingen lopen, zo poneert de liedjesschrijver.
Zwart/wit redeneringen, het is ook nu nog een techniek om snel populair te worden.
Dat ben ik en gij
1081 [A] Mathieu Dekemper [C] P. De Backer
Morgen zal het een leven zijn, zo rond een uur of vijf.
Gaan ze de prijzen geven, ja, voor het schoonste wijf.
D’mijn is er weeral tussen, zij is in de satijn.
Deez’ week uw tafel, Susse, zal wel in de rouw zijn.
Ja ja, z’is net, deez’ week is ’t vet of gene fret.
Wie maakt ze schoon, de vrouwen? Ja ik en gij.
Wie moet ze onderhouden? Ja, ik en gij.
Wie werkt dagen en nachten? Ja ik en gij.
Wie zorgt voor hunne prachten? Dat ben ik en gij.
Ge zet somtijds uw klein in de satijn of in de zij.
Wie draagt er, da’s een fijn, als ze schoon zijn,
horens daarbij?
Dat ben ik en gij !
De vrouw moet het bekopen, ’t is gelijk in welk lied,
maar van deez’ die ons stropen? Daarvan spreken ze niet.
Van deez’ die meester spelen en die niets anders doen,
als ’t werkvolk te bestelen en leeft van onze poen.
Ze zijn de Jan, met ’t zweet van den armen werkman.
Wie maakt z’rijk deez’ kapoenen? Ja, ik en gij.
Wie zweet voor deez’ miljoenen? Ja ik en gij.
Wie werkt voor deez’ juwelen? Ja ik en gij.
En voor deez’ schoon kastelen? Dat ben ik en gij.
Wie verdient hunne wijn, hunne satijn,
mantels in zij?
Wie vliegt er zonder spijt, als ge t’oud zijt,
buiten daarbij?
Dat ben ik en gij.
Ons ministers deez’ Heren, vrienden, doen z’het niet wel?
Die ons zo goed trakteren, met den taks en ’t heel spel?
Ja, dat zijn deez’ schandalen, die hunne zakken vult,
die ’t werkvolk doen betalen, als ’t land zit in de schuld.
Ja voor de poen, zullen z’uit doen ons hemd en schoen.
Wie werkt voor deez’ ministers? Ja ik en gij.
Voor al deez’ geld verkwisters? Ja ik en gij.
Wie betaalt deez’ schoon wetten? Ja ik en gij.
Wie geeft hunne te fretten? Dat ben ik en gij.
Deez’ Heren zuipen wijn, ’t kan zo slecht zijn,
begrijpt ge mij?
En wie werkt er altijd, en die nog lijdt
honger daarbij?
Dat ben ik en gij.
’t Werkvolk is te beklagen, in veertien wilt verstaan:
om den Duits te verjagen, wie moest in oorlog gaan?
En wie was er gaan lopen? Deez’ met nen hogen hoed!
En wie moest het bekopen? Het werkvolk, met zijn bloed.
Zij hadden schrik, ja, dat zeg ik, zo een vuil kliek.
Wie moest bij de soldaten? Ja ik en gij.
Vrouw en kind’ren verlaten? Ja ik en gij.
Wie moest hunne gaan weren? Ja ik en gij.
Wie moest van voor marcheren? Dat was ik en gij.
Ministers, Generaal,
waren allemaal weg, z’waren blij.
Wie mocht sterven aan ’t front gelijk nen hond
nog eens daarbij?
Dat was ik en gij.
| Partituur * Dat ben ik en gij * | |
1. instrumentaal
|
Bronnen:Partituur "Mathieu Dekemper, Auteur, editeur de musique, Rue de Douvres, 112, Anderlecht-Bruxelles" boek "Anderlecht zingt zoals vroeger" (1991), zonder vermelding van auteurs.



